als ik sterf schrijf dan neer dat ik de aarde zag hoe zij daar zweefde ademde, leefde, hoe graag ik haar wel mag het blauw op zwart het wit op blauw het licht van dag en nacht als ik sterf schrijf dan neer dat ik de aarde zag een plek die leeft vol dynamiek een eigen hartslag van zand, van water van bergen en ijs van ritmes hard en zacht als ik sterf schrijf dan neer dat ik de aarde zag een bol die blonk uitblonk van leven ik oprecht van slag ik voelde tranen weende ze oprecht de aarde, dat is leven de aarde, dat is echt
[aan de dood] je hoeft geen brood te snijden ik neem wel een boterkoek ik breng wel melk en fruitsap voorzie jij dan koffie, alsjeblieft en als we dan samen mogen eten kunnen we wat praten met elkaar over duinen, zee en strand of spreken de bergen je meer aan we kunnen redetwisten over muziek vanzelfsprekend ook over literatuur en heb jij ook een kat of hond wat doe jij op een vakantiedag ik zie ons daar al samen eten en keuvelen over alles en niets misschien, wie weet, misschien worden we wel vrienden voor het leven
Onder de stralen die
nooit schijnen, in de regen die niet
valt, bij de wind die nooit
zal waaien, op de plaats waar het
leven stil valt, cirkelen gieren in het
rond, ook al ben je niet
gewond.
Het leven laat je los, geen schaduw aan je zij, eenzaam in de leegte, de toekomst al lang
voorbij, trippelen gieren op de
grond, eten tot de morgenstond.
De bloemen in het gras, vertellen mij dat leven, vroeger niet veel anders
was.
Dat ook de bloemen toen, hun plaatsje moesten
zoeken, en ook hun best moesten
doen.
Ze moesten ook draaien
naar de zon, en werken om te eten, zelfs voor de bloemknop
open kon.
Neen, het lijkt makkelijk
om een bloem te zijn, om gewoon mooi te wezen
in het licht, maar een bloem zijn is
heel anders, dan het lijkt op het
eerste zicht.